Matteüs 3: 13-17: Doop van de Heer

Jezus ging naar Johannes de Doper om zich te laten dopen. Johannes protesteert: Ik heb uw doopsel nodig. Kennelijk had Johannes heel goed door wie Jezus was, maar Jezus liet zich niet van de wijs brengen en liet zich dopen.

Het doopsel dat Johannes toediende was anders dan het doopsel dat wij kennen. Zijn doopsel was een teken van ommekeer; een voornemen om de gemaakte fouten, zonden, niet meer te doen. Dus om een nieuw, en mogelijk foutloos, begin te maken. En Johannes diende dit doopsel toe tot vergeving van de zonden.

Als we naar Jezus zien, en weten dat Hij zonder zonden was, kunnen we ons afvragen of dat doopsel wel zin had, want Jezus behoefde geen ommekeer te maken.
Als we echter zien op Jezus, die alle zonden van de gehele mensheid op zich nam, moeten we zien dat als er één het doopsel van Johannes tot vergeving van de zonden nodig had, het juist Jezus was, beladen met onze schuld. Daar, in het water van de Jordaan, werden wij al verlost van onze zonden, als we deze tenminste iedere keer weer aan Jezus aanbieden.

Het doopsel, dat wij toedienen, is toch anders, het is eenmalig. Het geldt voor altijd. In de oude kathechismus staat, dat het een eeuwigdurend merkteken is op onze ziel.

In het doopsel ontvangt de dopeling het kindschap Gods. Dat betekent dat de gedoopte wordt opgenomen in Gods gezin. De dopeling wordt lid van de geloofsgemeenschap, van onze Kerk dus. Als een dopeling al ouder is, ontvangt hij ook vergiffenis van alle zonden. En bovendien wordt een dopeling deelgenoot van het eeuwig leven.
Doch dit laatste is niet automatisch. Het is niet zó, dat iedere gedoopte vanzelf in de hemel komt. Iedere gedoopte kan het deelgenootschap aan het eeuwig leven verliezen door tegen Gods wil in te gaan. Maar iedere gedoopte, die gelooft in dat offer van het Lam Gods, dat alle zonden van ons droeg, heeft wel de zekerheid van eeuwig leven.

Na de waterdoop krijgt een dopeling een wit doopkleed opgelegd. Eens had de apostel Johannes visioenen over de hemel. Hij keek door een geopende poort in de hemel en zag dat allen die in de hemel waren een wit droegen. Daar is het doopkleed een voorafbeelding van. Wij zeggen hiermee: dopeling als je leeft naar Jezus geboden en in Hem gelooft, zal zo’n wit kleed eens jouw deel zijn. Daarom ook dragen priesters en diakens een witte albe, die verwijst naar de witte kleden van hen die hun leven voortzetten in Gods heerlijkheid.

Er wordt een doopkaars ontstoken vanaf de Paaskaars, die symbool staat voor Jezus die het licht van de wereld is. Zo moet iedere gedoopte licht zij in zijn omgeving. Iedere gedoopte moet het licht van Jezus uitdragen, getuige zijn. Dat lijkt moeilijk, maar als een mens echt door het evangelie geraakt is, is hij daar vol van en hoe loopt de mond over van waar het hart vol van is?

Dan worden oren en mond gezegend, opdat de dopeling zal luisteren naar Gods Woord en er in zijn leven ook waarlijk getuigenis van aflegt.

Tenslotte wijden wij de dopeling toe aan de bijzondere zorg van de hemelse Moeder.

Zo verloopt in grote lijnen het doopsel, maar eigenlijk begint het dan pas. Je bent er niet als je gedoopt bent, maar in het sacrament van het doopsel krijgen wij wel alle gratis hulp (genade) die nodig is om te volbrengen waar we voor staan, namelijk een heel leven in geloof en waarheid.
Het is met het doopsel als met een contactsleuteltje van een auto: als je het hebt, kun je de auto in en er mee gaan rijden. Maar er gebeurt niets als je alleen maar in de auto gaat zitten: de motor zal gestart moeten worden en dan moet de auto in de versnelling gezet worden. Pas dan is het bezit van een contactsleutel een zegen, want de auto brengt je waarheen je stuurt.

Zo is het ook met de mens die gedoopt is en niet met Gods genade meewerkt door aan Jezus voorbij te gaan: dat brengt geen zegen en geen eeuwig leven in Gods nabijheid. Laten we gebruik maken van de hulp die God ons door het H. Doopsel geeft, opdat wij eens daarvan in de eeuwigheid de vruchten daarvan zullen plukken.