26ste zondag door het jaar, Matteüs 21: 28-32

Een vader had twee zonen, zo begint Jezus zijn gesprek met de hogepriesters en de oudsten van het volk. Natuurlijk behoeft het geen betoog, dat beiden totaal verschillend zijn. Dat blijkt ook uit het verhaal dat Hij vertelt.
Beide zoons krijgen de opdracht van hun vader om naar zijn wijngaard te gaan, om daarin te gaan werken. Heel logisch: Je hebt een bedrijf thuis en de kinderen werken mee. Zo zei mijn vader wel eens in de vakantie: Jij kunt vanmiddag mooi de heg knippen. En of ik dat nou leuk vond of niet, ik deed het.
De oudste zoon lijkt een voorbeeld voor allen: Goed vader, antwoordde hij. Maar hij deed het niet. Waarom niet? Dat vertelt Jezus niet en zou dat wel belangrijk zijn? Werd hij opgehouden door vrienden, of wilde hij geen gezeur van zijn vader als hij het niet zou doen, of durfde hij niet te zeggen dat hij geen zin had in dat werk? We weten het niet, maar we kunnen het allemaal naar onze eigen ideeën invullen.
De jongste zoon lijkt eerlijk: hij heeft er geen zin in en zegt het ook. Misschien had hij met vrienden afgesproken of wilde hij iets voor zichzelf doen. Maar is zijn antwoord wel eerlijk? Zouden we niet eerder zeggen: Jouw vader heeft zoveel voor jou gedaan, nu mag je echt wel eens iets terug doen?
Doch de jongste krijgt spijt over zijn beslissing. Misschien moest hij inderdaad denken aan wat de vader allemaal voor hem had overgehad, hoe hij gewerkt had om zijn opvoeding, kleding, voedsel, opleiding en alles te kunnen betalen. Daarom breekt hij met zijn eigen wil en hij gaat werken in de wijngaard.

Als u nu de vraag zou krijgen van wie u nu denkt dat hij de vaders wil deed, zult u ongetwijfeld zeggen: de jongste zoon. Dat oordeel is juist, maar vergeet u niet dat beide zonen de vader een groot verdriet deden: de een door ja te zeggen en nee te doen en de ander door zijn oorspronkelijke weigering. Toch kiezen we voor de jongste zoon, omdat hij uiteindelijk zijn vaders wil deed.

We mogen echter niet blijven steken bij die beide zonen, alsof die uit dat ene gezin kwamen en ver van ons af staan. Dat is niet zo, want die beide zonen leven in iedere mens, in u en mij. Soms zijn ze zelfs niet eens te begrijpen; soms doen we het ene wel en het andere niet en soms is het gewoon andersom. Hebben we altijd een reden voor onze houding?

Denkt u eens aan die regels die God gaf: de 10 geboden: misschien kunt u ze niet in de juiste volgorde opnoemen, maar in uw hart kent u ze en zegt u er “ja” tegen. Maar loopt het altijd overeenkomstig dat woordje “ja” in uw leven? Doen we niet dikwijls gewoon “nee”? volgens mij wel.
En hoe heerlijk is het dan te weten dat wij iedere keer terug mogen komen bij God en Hij zal ons vergeven, niet maar net-aan, maar zelfs van harte.
Daarom kon Jezus zeggen tegen hen die veel beter wisten, dus “ja” zeiden, maar “neen” deden, dat de tollenaars en de ontuchtige vrouwen, die spijt kregen, vergiffenis krijgen en daarom eerder in Gods Heerlijkheid zullen komen dan die schijnheiligen.

Laat in uw leven uw “JA” ook “JA” zijn en uw “NEEN” ook “NEEN”. Ken niet alleen Gods wetten, maar leef ze na: doe ze en u zult leven. Ons geloof moet namelijk geen zelfstandig naamwoord blijven, maar ons opwekken tot daden, tot actie. Niet uw geloof brengt u Thuis, maar uw “Geloven”, uw handelen naar uw geloof. Uw “neen” brengt het tegenovergestelde, laat dat maar ver van u. Maar u mag altijd vergeving voor uw “neen” vragen en de liefdevolle vader zal het geven.