11e zondag door het jaar, Lucas 7: 36-8: 3 / Galaten 2: 16, 19-21

Dierbare Lezer, 

Het zal in de 80-tiger jaren geweest zijn, dat de zogenaamde ‘alverzoeningsleer’ zijn intrede deed; de leer die beweerde dat iedereen uiteindelijk in de hemel zou komen.
Soms zijn mensen daar echt van overtuigd, maar als je dan zegt: ‘Dat klopt en jij komt naast een grote oorlogsmisdadiger te zitten’, wordt het toch opeens anders. Niet dat ik nu enig oordeel wil uitspreken, maar iedereen voelt eigenlijk toch wel aan, dat deze leer toch wat wankel is. En hoe Jezus uitspraak te verstaan over de ‘zoon des verderfs’?
Bovendien, als ik dan de 2e lezing doorneem, merk ik op, hoe Paulus er ook anders over denkt. Hij zegt immers dat ‘de wet niet rechtvaardigt’, maar geloof alleen. Niet door de wet kan men in de hemel komen, maar door geloof alleen.

Dat betekent dus dat er zijn voorwaarden zijn om in de hemel te kunnen komen.

Wij kunnen ons natuurlijk de vraag stellen hoe we dat moeten begrijpen, immers als geloof alleen de mens de toegang tot de heerlijkheid Gods geeft, maakt de manier van leven dan niet meer uit, als de wet ons toch niet kan rechtvaardigen? Is dan alles toch wel OK?
Natuurlijk is het niet juist om te denken dat we ons nergens meer aan behoeven te storen als we maar geloven. Dat is niet zo, want wie werkelijk gelooft, toont zijn geloof in zijn levenswijze. Een mens kan immers niet werelds leven en toch geloven, nee een gelovige mens moet anders zijn in woord en daad, dan zij die niet geloven. Geloof en daad moeten met elkaar in harmonie zijn.

Jacobus zegt in zijn brief: “Geloof zonder daden is dood.” En zijn uitspraak is logisch, want door geloof krijgen wij een relatie met onze Heer. Een oprechte relatie met Hem groeit uit tot een relatie in liefde; en wie wil een geliefde pijn of verdriet doen? Dan doet een mens toch alles om de ander gelukkig te maken? En dat kan de mens tonen in daden die gezien mogen worden.
Daarom kan Jacobus met een gerust hart zeggen dat geloof zonder daden dood is. Geloof vraagt om daden, daden van liefde; daden van warmte en zorg voor de ander; daden die de wereld veranderen en niet omgezet te behoeven worden in beloningen. Daar vraagt liefde niet om.

Mogelijk komt u nu in de knoop met het Evangelie: een vrouw die een slechte reputatie heeft, wast Jezus’ voeten met haar tranen en droogt ze af met haar haren. Dan balsemt ze zijn voeten en kust ze.

Simon, de farizeeër, kijkt bedenkelijk toe en oordeelt bij zichzelf. Jezus merkt het en spreekt hem aan met een eenvoudig voorbeeld over die heer en de twee schuldenaars die voor verschillende bedragen in de schuld staan. De farizeeër geeft een juist antwoord op Jezus’ vraag wie van de twee schuldenaars nu het meest verheugd is vanwege de kwijtschelding van de schuld. Natuurlijk is dat hij aan wie het meeste is kwijtgescholden.

En dan die vrouw: Haar zonden waren vele; er was veel kwijt te schelden. Zij betoonde liefde aan Jezus, niet omdat Hij aardig was, niet omdat Hij zo’n bijzonder uiterlijk had. Neen, er was een andere reden: Jezus wees de juiste levensweg en zij kwam tot het inzicht dat haar leven niet goed was en zij bekeerde zich er van en begon een gelovig te leiden. Zij geloofde, dat Jezus de Messias was en uit liefde voor het geloof dat zij door Hem had gevonden en dat nieuwe leven, die zekerheid dat er ook voor haar vergiffenis was, betoonde ze aan Jezus haar liefde door de daden die zij deed.

Jezus’ woorden tot haar bevestigde haar geloof en bevestigde de vergeving.

Wat een vreugde, als onze lasten worden afgenomen. Wat een vreugde, als wij met een rein hart verder mogen leven en alle narigheid achter ons mogen laten, bij de Heer die ons oneindig lief heeft.

Zegene ons die Heer, die zijn leven gaf voor u en mij.